Jaren geleden is er een initiatief genomen om een keurmerk letselschade in het leven te roepen. In de beginjaren heeft het kantoor Balans daaraan deelgenomen. Het behoeft geen betoog dat het keurmerk heeft geleid tot verbeteringen. Onder andere dat het inmiddels ook voor niet-advocaten die als belangenbehartiger optreden duidelijk is dat zij voor betalingen ten behoeve van cliënten over een derdengeldrekening moeten beschikken.

Echter, de toetsing van kwaliteit is naar ons oordeel niet voldoende en niet opgedragen aan de juiste personen. Het richt zich meer op de organisatie en meetbare toetsnormen dan de attitude en wijze van optreden. Dus zien wij regelmatig overstappende cliënten die afscheid nemen van keurmerkkantoren (vooral niet-advocaten) die schades regelen op basis van tabellen en pragmatische afspraken die het werkproces van de professionals vereenvoudigen, maar niet aansluiten bij de werkelijke schade van het slachtoffer. Bovendien is de uitleg en juridische onderbouwing vaak matig. Ook zien we regelmatig dat het belang van goed medisch onderzoek en goed medisch advies niet wordt onderkend. Vaker dan ons lief is zien we daarbij dat regie door de belangenbehartiger over de schadebehandeling wordt verloren. Het komt daardoor voor dat medici bepalen welke schade iemand lijdt, wat leidt tot een te beperkte visie op oorzaak en gevolg die als uitgangspunt voor de regeling van een schade wordt genomen.

Daar komt bij dat het keurmerk in 2017 is opgegaan in De Letselschaderaad (verder: DLR). Dat is om meerdere redenen ongelukkig. De belangrijkste is dat DLR niet onafhankelijk is en vraagt om te conformeren aan schadevergoedingsnormen die niet gebaseerd zijn op de wet maar op overleg in achterkamers. Iedere suggestie dat een advocaat zich daaraan voor huidige en toekomstige cliënten bindt is verboden volgens de Gedragsregels van advocaten. Alleen het belang van de cliënt telt. Ieder associatie met DLR is dus ongewenst en ongelukkig.
Bovendien heeft het Register, dat tot taak heeft de kwaliteit te behouden, zelf zijn huis niet op orde. Het duurde liefst 20 maanden voordat een reglement voor de aangesloten leden het licht zag. Dat zet wat ons betreft grote vraagtekens bij de kwaliteit en dus het belang van dit register.

Vanuit de ASP bestaat bovendien veel bezwaar tegen de rol die DLR speelt bij het vaststellen van schadevergoedingsbedragen. Die zijn namelijk niet op een wettelijk grondslag gebaseerd. Doordat niet controleerbaar is waar de bedragen en normen vandaan komen en het systeem zeer grofmazig is, heeft dit tot gevolg dat het uitgangspunt van volledige schadevergoeding wordt verlaten. Dat kan ertoe leiden dat er teveel wordt uitgekeerd aan de een en te weinig aan anderen. Het is ontegenzeggelijk efficiënt omdat er minder discussie over de schadestaat plaatsvindt, maar dat mag volgens ons nooit ten koste van volledige schadevergoeding gaan. Met name het feit dat de grondslagen niet controleerbaar zijn, is een bron van zorg: het valt op dat kilometervergoedingen jarenlang niet omhoog gingen, ondanks aanzienlijke stijgingen van de kosten van autogebruik (o.a. brandstofkosten). Na een korte maar scherpe daling van de kosten van brandstof werd wel zeer snel een grote matiging doorgevoerd. Dat vormt voer voor de gedachte dat het vooral om schadebeperking voor verzekeraars te doen is. Een zorgelijke ontwikkeling, want rechters hebben helaas de neiging deze bedragen en normen over te nemen, tenzij heel gericht verweer wordt gevoerd. Als echter een groot deel van de branche dat verweer niet voert, is het uitverkoop.

Heeft DLR dan geen goede kanten? Zondermeer. De organisatie is in staat krachten te bundelen. Ook ASP praat daarom wel met leden van DLR, maar zonder dat er enige binding aan de resultaten kan worden geëist. Een goed voorbeeld is een in samenwerking met o.a. DLR ontwikkelde rekenmethode voor overlijdenschades die de vaststelling minder grillig maakt en beter uit te leggen is aan de belanghebbende. Actieve input op het vlak van de problemen in de praktijk, maar ook financiële ondersteuning is daarbij ook door ASP gegeven.

Goede ontwikkelingen die DLR zou kunnen nastreven en faciliteren zitten dan ook naar ons idee vooral aan de kant van het goed stroomlijnen van praktijkproblemen en procedurele rechtvaardigheden.

Die zouden kunnen zien op:

  • het ontwikkelen van een product waardoor een schadevergoeding door middel van een bedrag ineens ook daadwerkelijk voldoende is voor de toekomstige schade. Verzekeraars kennen bij uitstek de geldmarkt en zijn in staat gemiddeld hogere rendementen te maken dan particulieren. Wat zou dus logischer zijn dan dat de verzekeraars daarin het voortouw nemen om de langdurige strijd over de zogenaamde rekenrente te beslechten. Eventuele winst van beleggingen zou op basis van 50-50% kunnen worden verdeeld over slachtoffer en vergoedende partij
  • een einde maken aan het fenomeen dat schadeverzekeraars vooral op prijs concurreren.
  • Goede afspraken over bewijsvoering buiten rechte, met name in medische aansprakelijkheidszaken.
  • Het definitief oplossen van het probleem dat betalingen op schade eindeloos lang onderweg zijn, doordat de betaling door een ander dan de regelende partij afgehandeld moet worden.Vooral betalingen door zogenaamde volmachten zijn een bron van ellende voor slachtoffers: een toezegging door de regelende medewerker van de regievoerende verzekeraar is vaak weken onderweg doordat die niet zelf de betaling mag afhandelen. Een simpele rekening-kredietverhouding zou verplicht moeten zijn.
  • Goede voorzieningen maken voor veilige digitale communicatie op een laagdrempelige manier (des te belangrijker geworden na AVG).

Over dit onderwerp heeft ASP op initiatief van Arjan een oproep gedaan aan DLR, het Verbond van Verzekeraars en het Personenschadeinstituut voor Verzekeraars (PIV) om te proberen een breed gedragen werkwijze af te stemmen.