De laatste jaren en in het bijzonder de laatste maanden is er het nodige te doen geweest over medische hulpmiddelen, zoals implantaten. Na schandalen over PIP-implantaten, problemen met metaal op metaal heupprotheses, is er inmiddels een team van onderzoeksjournalisten bezig met het ontrafelen van de wereld die schuil gaat achter de medische hulpzaken die toegepast worden.

Anders dan bij medicijnen zijn er geen harde regels voor toelating van dergelijke middelen na tests. Dat is zorgelijk en het is een redelijke verwachting dat er in de nabije jaren nog veel mensen met de gevolgen hiervan geconfronteerd zullen gaan worden.

Minder bekend bij de burger is wel dat er een doorbraak lijkt te ontstaan voor de verhaalbaarheid van schade die het gevolg is van een ongeschikt medisch hulpmiddel. Een zaak waarin Arjan Rittersma als advocaat optreedt geeft hoop.

Het betreft de zaak van een patiënt die in de jaren 90 van vorige eeuw een zogenaamde MIRAgel plombe in zijn oog kreeg om een netvliesloslating te hechten. Dit middel bleek de -destijds bij de fabrikant uit de VS wel bekende maar niet naar buiten gebrachte- eigenschap te hebben dat het materiaal waarvan het was gemaakt na verloop van vele jaren ging zwellen en verbrokkelen. Dat kan als desastreus neveneffect hebben dat er opnieuw een bedreiging van het gezichtsvermogen optreedt. De Amerikaanse producent heeft het middel zonder waarschuwingen van de markt gehaald en is niet meer vindbaar om de schade op de producent te verhalen. De plombes zijn nog lang, tot zelfs in de beginjaren van deze eeuw toegepast. Bekend is dat er ook in Nederlandse oogziekenhuizen grote aantallen van deze plombes van zijn geplaatst. De toepassing in Nederland heeft waarschijnlijk tot 1996 plaatsgevonden.

In een langslepende rechtszaak is geprobeerd aansprakelijkheid te vestigen voor het blijven gebruiken van deze plombes terwijl er al kennis over het materiaal bekend was. Daarbij is ook als stelling ingenomen dat de aansprakelijkheid op een andere wetsbepaling gebaseerd kon worden, te weten aansprakelijkheid voor de gebruikte hulpzaak. Die bepaling is bij de invoering van het burgerlijk wetboek in de jaren 90 ingevoerd en heeft er voor gezorgd dat consumenten niet van het kastje naar de muur gestuurd worden bij bijvoorbeeld een geschil over de bouw van een huis, waarbij de aannemer een ongeschikt materiaal gebruikte dat tot schade leidt. Toepassing van die bepaling in zaken waarin het de medische toepassing van hulpmiddelen lukte vanaf de invoering van het wetsartikel 6:77 BW niet, omdat de wet uitzonderingen mogelijk maakte en bij de totstandkoming van de wet over medische hulpmiddelen was gesproken als zo’n uitzondering. Hoewel de wet zelf toepassing niet persé uitsloot, was er in de praktijk nog steeds geen succesvol beroep op aansprakelijkheid voor gebruikte hulpzaken bij een medische behandeling bekend, ook al was al vele malen geprobeerd die uitzondering van tafel te krijgen.

Dat is nu, met het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 november 2018 gebeurd. Ook bij onbekendheid met het gebrek is de gebruiker zoals een medisch specialist of ziekenhuis verantwoordelijk voor het hulpmiddel dat wordt gebruikt bij de medische behandeling en als blijkt dat het niet geschikt was aansprakelijk voor de schade. Dit gebeurde onder andere met verwijzing naar een proefschrift van dr J.T. Hiemstra waarin kort tevoren was betoogd dat deze uitzondering voor hulpzaken bij medische behandelingen (om het heel kort samen te vatten) niet meer verdedigbaar was. Het is mogelijk dat deze zaak nog een vervolg krijgt waarbij de vraag aan de Hoge Raad wordt voorgelegd of de toepassing van het recht door het Hof wel juist is.

Patiënten die weten dat er in het verleden een netvliesloslating met een zogenaamde hydrogelplombe is behandeld, adviseren wij na te gaan of dit mogelijk een MIRAgelplombe was en bij onzekerheid contact op te nemen.